Dutch verbs
2322 words · Page 8 of 12
- prikken
- proberen
- profiteren
- proosten
- proppen
- protesteren
- publiceren
- quitte draaien
- quitte spelen
- raadplegen
- ra(a)ken
- raken
- ramen
- rantsoeneren
- ravotten
- razen
- reageren
- reanimeren
- rechtstaan
- rechtvaardigen
- reconstrueren
- redden
- regelen
- regenen
- regeren
- regisseren
- reiken
- reinigen
- reizen
- rekenen
- rekenen op
- rekening houden
- rekening houden met
- rekken
- remmen
- rennen
- repatriëren
- repeteren
- reserveren
- respecteren
- resteren
- revalideren
- richten
- richten op
- ridderen
- rijden
- rijzen
- rillen
- riskeren
- roddelen
- roeien
- roemen
- roepen
- roepen op
- roesten
- roken
- rollen
- ronddrijven
- rondgaan
- rondlopen
- rondrennen
- rondrijden
- ronselen
- rouleren
- rouwen
- roven
- ruiken
- ruilen
- ruimen
- rukken
- rukken op
- rusten
- samendrijven
- samenhangen
- samenkomen
- samenleven
- samenpersen
- samenstellen
- samenvallen
- samenvoegen
- samenwerken
- saneren
- scandeer
- schaamen
- schaatsen
- schaden
- schakelen
- schaken
- schamen
- scharaden
- scharen
- schatten
- scheeren
- scheiden
- schelden
- schelen
- schenden
- schenken
- scheppen
- schetsen
- scheuren
- schieten
- schieten op
- schijnen
- schikken
- schilderen
- schillen
- schitteren
- scholen
- schommelen
- schoonmaken
- schoonspuiten
- schoppen
- schorsen
- schrapen
- schrappen
- schreeuwen
- schrijven
- schrikken
- schudden
- schuilen
- schuilgaan
- schuiven
- schuren
- sjoemelen
- sjorden
- sjouwen
- slaags raken
- slaan
- slachten
- slagen
- slechten
- slepen
- sleuren
- slijmen
- slijten
- slikken
- slingeren
- slinken
- slopen
- sluiten
- smaken
- smakken
- smeden
- smeken
- smelten
- smeren
- smeulen
- smijten
- smokkelen
- smoren
- snakken
- snappen
- sneeuwen
- snellen
- sneuvelen
- snoeien
- snuffelen
- snuiten
- snuiven
- snurken
- spannen
- sparen
- specialiseren
- spekken
- speuren
- spiegelen
- spioneren
- splijten
- splitsen
- spoelen
- spreiden
- spreken
- springen
- sproeien
- sprokkelen
- spugen
- spuien
- spuiten
- staan
- stabiliseren
- staken
- stammen
- standhouden
- stansen
- stapelen
- stappen
- staren
- steken
- stelen
- stellen
- stemmen
- steppen
- sterven
- steunen
- stijgen
- stikken
- stilhouden
- stilleggen
- stilstaan