Dutch verbs
1920 words · Page 8 of 10
- tevoorschijnkomen
- thuisblijven
- thuiszitten
- tikken
- tillen
- timmeren
- toebrengen
- toedienen
- toegeven
- toehappen
- toejuichen
- toekennen
- toekijken
- toelaten
- toelichten
- toenemen
- toepassen
- toeschrijven
- toeslaan
- toespreken
- toestaan
- toeteren
- toetreden
- toetsen
- toevoegen
- toewerken
- toewijzen
- toezeggen
- toezien
- tonen
- tornen
- trachten
- trainen
- treden
- treffen
- trekken
- treuzelen
- trillen
- triomferen
- troffen
- trotseren
- twijfelen
- twisten
- typeren
- uitademen
- uitbarsten
- uitbesteden
- uitbetalen
- uitblijven
- uitblinken
- uitbraken
- uitbranden
- uitbreiden
- uitbreken
- uitbrengen
- uitbuiten
- uitdagen
- uit de hand lopen
- uitdelen
- uit de lucht halen
- uitdoen
- uitdrogen
- uiteenlopen
- uiteenvallen
- uiten
- uiteten
- uitfaseren
- uitgaan
- uitgeven
- uitglijden
- uitgraven
- uitgroeien
- uithalen
- uithongeren
- uitjoelen
- uitjouwen
- uitkammen
- uitkeren
- uitkiezen
- uitkijken
- uitklappen
- uitkleden
- uitknikkeren
- uitkomen
- uitleggen
- uitlekken
- uitlenen
- uitleveren
- uitlokken
- uitlopen
- uitloven
- uitmaken
- uitmesten
- uitmonden
- uitnemen
- uitnodigen
- uitoefenen
- uitplanten
- uitproberen
- uitreiken
- uitrekenen
- uitroeien
- uitroepen
- uitrollen
- uitrukken
- uitrusten
- uitschakelen
- uitschelden
- uitschrijven
- uitslapen
- uitsluiten
- uitsmeren
- uitspelen
- uitspreken
- uitspuiten
- uitstaan
- uitstappen
- uitstellen
- uitsterven
- uitstoten
- uitstralen
- uitstrooien
- uitten
- uittrekken
- uitvaardigen
- uitvallen
- uitverkopen
- uitvinden
- uitvoeren
- uitwalsen
- uitwerken
- uitwerpen
- uitwijken
- uitwisselen
- uitzenden
- uitzetten
- uitzitten
- uitzoeken
- uitzwaaien
- vallen
- valsspelen
- vangen
- varen
- varen op
- variëren
- vastbinden
- vasten
- vasthouden
- vasthouden aan
- vastklemmen
- vastleggen
- vastliggen
- vastlopen
- vastmaken
- vastpakken
- vastspelden
- vaststaan
- vaststellen
- vastvallen
- vastzetten
- vastzitten
- vatten
- vechten
- vegen
- veilen
- veiligstellen
- veraangenamen
- veranderen
- verantwoorden
- verbeelden
- verbergen
- verbeteren
- verbieden
- verbinden
- verblijven
- verblinden
- verbouwen
- verbranden
- verbreken
- verbruiken
- verdampen
- verdedigen
- verdelen
- verdenken
- verdienen
- verdiepen
- verdoven
- verdragen
- verdrievoudigen
- verdrijven
- verdrinken
- verdubbelen
- verduidelijken
- verduisteren
- verdunnen
- verduren
- verduurzamen
- verdwalen
- verdwijnen
- vereenvoudigen