samenkomen
to come together, to meet, to gather
Forms you will meet
- komen samen
- komt samen
- kwamen samen
- samenkomen
- samenkomende
Meaning
- to come together
- to meet
- to gather
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- kwam samen
- Past participle (perfectum)
- samengekomen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Scheten zijn alle gassen bij elkaar die vanuit onze maag en darmen samenkomen.”From this video →
- “De familie komt met veertien mensen samen in één huis.”From this article →
- “Nieuwe inlichtingen meldden dat Khamenei en andere kopstukken ’s ochtends zouden samenkomen in Teheran.”From this article →
Save this word and practice it later.