Dutch verbs
2322 words · Page 7 of 12
- openmaken
- openstaan
- openstellen
- opereren
- opeten
- opgaan
- op gang brengen
- op gang komen
- opgeven
- opgraven
- opgroeien
- ophakken
- ophalen
- ophangen
- opheffen
- op het matje roepen
- op het puntje van zijn stoel zitten
- op het spoor komen
- ophitsen
- ophokken
- op hol gaan
- op hol slaan
- ophouden
- opjagen
- opkijken
- opklaren
- opknappen
- opkomen
- opkomen voor
- op kop fietsen
- opkrikken
- oplaaien
- opladen
- opleggen
- opleiden
- opletten
- opleveren
- oplichten
- oplikken
- oplopen
- oplossen
- opmaken
- opmerken
- opmeten
- opnemen
- opnoemen
- opofferen
- op onderzoek uitgaan
- op pad gaan
- oppakken
- oppassen
- opperen
- oppeuzelen
- oppikken
- opplakken
- oppoetsen
- oppompen
- oprakelen
- opraken
- oprekken
- oprichten
- oproepen
- oprollen
- opruimen
- oprukken
- opschalen
- opscheppen
- opschieten
- opschorten
- opschrijven
- opschudden
- opschuiven
- opslaan
- opslokken
- op slot zitten
- opsluiten
- opsplitsen
- opsporen
- opstaan
- opstapelen
- opstappen
- opstarten
- opsteken
- opstellen
- opstijgen
- opstomen
- opstrijken
- opsturen
- opstuwen
- optellen
- optraden
- optreden
- optrekken
- opvallen
- opvangen
- opveren
- opvoeden
- opvoeren
- opvolgen
- opvragen
- opvreten
- opvullen
- opwarmen
- opwekken
- opwinden
- opzadelen
- opzetten
- op zich nemen
- opzijschuiven
- opzijzetten
- opzoeken
- op zoek zijn
- opzuigen
- overblijven
- overbrengen
- overbruggen
- over de kop slaan
- overdragen
- overdrijven
- over een andere boeg gooien
- overeenkomen
- overgaan
- overgeven
- overhalen
- overhandigen
- overheersen
- overhouden
- overkomen
- overladen
- overlaten
- overleggen
- overleven
- overlijden
- overlopen
- overmaken
- overnachten
- overnemen
- overrompelen
- overroteren
- overschakelen
- overschatten
- overschrijden
- overslaan
- overspoelen
- overspringen
- overstag gaan
- overstappen
- oversteken
- overstromen
- overtreden
- overtreffen
- overtrekken
- overtuigen
- overvallen
- overvaren
- overvliegen
- overwegen
- overzetten
- paaien
- paardrijden
- paffen
- pakken
- pareren
- passen
- passeren
- patrouilleren
- pauzeren
- peilen
- pendelen
- pesten
- pieen
- pieken
- piekeren
- piepen
- pinnen
- pissen
- plaatsen
- plaatsvinden
- plagen
- plakken
- platbellen
- platbranden
- platleggen
- plegen
- pleiten
- plenzen
- plonsen
- plukken
- plunderen
- poepen
- poetsen
- pogen
- polijsten
- pootjebaden
- popelen
- praten
- presteren
- prijsgeven
- prijzen
- prikkelen