Dutch verbs
1920 words · Page 9 of 10
- verenigen
- verergeren
- verfraaien
- vergaderen
- vergelijken
- vergemakkelijken
- vergen
- vergeven
- vergiftigen
- vergoeden
- vergrijzen
- vergroten
- verhandelen
- verhelpen
- verheugen
- verhinderen
- verhitten
- verhogen
- verhoren
- verhuizen
- verhuren
- verifiëren
- verijdelen
- verjagen
- verkeeren
- verkennen
- verkeren
- verkiezen
- verklaren
- verkleden
- verkleinen
- verkleuren
- verkoopen
- verkopen
- verkorten
- verkrachten
- verlagen
- verlammen
- verlaten
- verleggen
- verleiden
- verlenen
- verlengen
- verlichten
- verliezen
- verlopen
- vermaken
- vermelden
- vermijden
- verminderen
- verminken
- vermissen
- vermoeden
- vermoeien
- vermoorden
- vernemen
- vernielen
- vernietigen
- vernieuwen
- vernoemen
- verongelukken
- veroordelen
- veroorzaken
- veroveren
- verpakken
- verpanden
- verpesten
- verplaatsen
- verpletteren
- verplichten
- verraden
- verrassen
- verrichten
- verrijken
- verruilen
- verruimen
- verschaffen
- verschanzen
- verschepen
- verschijnen
- verschillen
- verschonen
- verschuilen
- verschuiven
- versieren
- verslaan
- verslaven
- verslechteren
- versleutelen
- versmallen
- versnellen
- versoepelen
- verspreiden
- versterken
- verstevigen
- verstoppen
- verstoren
- verstrekken
- verstrijken
- versturen
- vertegenwoordigen
- verteren
- vertolken
- vertragen
- vertrappen
- vertrekken
- vertrouwen
- vervallen
- vervalsen
- vervangen
- verven
- verviervoudigen
- vervijfvoudigen
- vervoeren
- vervolgen
- vervormen
- vervroegen
- vervuilen
- verwachten
- verwarden
- verwekken
- verwennen
- verwerken
- verwerpen
- verwerven
- verwijderen
- verwijten
- verwijzen
- verwittigen
- verwoesten
- verwonden
- verzachten
- verzadigen
- verzakken
- verzamelen
- verzekeren
- verzetten
- verzilveren
- verzinnen
- verzoeken
- verzorgen
- verzwakken
- verzwaren
- verzwijgen
- vestigen
- vieren
- vinden
- viseren
- vissen
- vlamvatten
- vleien
- vliegen
- vluchten
- voeden
- voegen
- voelen
- voeren
- voet aan de grond krijgen
- voldoen
- volgen
- volhouden
- vollopen
- volmaken
- volstaan
- voltooien
- voorafgaan
- voor anker gaan
- voorbereiden
- voorbijgaan
- voordoen
- voordragen
- voorkomen
- voorleiden
- voorlezen
- voorop staan
- vooropstellen
- voorschrijven
- voorspellen
- voorstaan
- voorstellen
- voortbouwen op
- voortduren
- voortkomen
- voortplanten
- voortzetten
- vooruitkijken
- vooruitschuiven
- voorzien
- voorzitten
- vorderen
- vormen
- vouwen
- vragen
- vreten
- vrezen
- vriezen
- vrijgeven
- vrijkomen
- vrijlaten
- vrijmaken