treffen
to strike, to hit, to face, to affect, struck
Also used as: adjective
Forms you will meet
- getroffen
- treffen
- treft
- trof
- troffen
- werd getroffen
- wordt getroffen
Meaning
- to strike
- to hit
- to face
- to affect
- struck
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- trof
- Past participle (perfectum)
- getroffen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Afgelopen nacht trof een Russische drone-aanval de stad Dnipro”From this article →
- “Zaterdag trof een explosie Lviv: een politieagente kwam om en 24 mensen raakten gewond.”From this article →
- “Oekraïne treft opnieuw Russische olie-industrie, tankers geraakt”From this article →
Save this word and practise it later.