snaphet
NewsVideos
NewsVideos
← All words

Dutch verbs

1920 words · Page 10 of 10

  • vrijspreken
  • vullen
  • vuren
  • vuuren
  • vuurspuwen
  • waaien
  • waarborgen
  • waarderen
  • waarmaken
  • waarnemen
  • waarschuwen
  • wachten
  • wagen
  • waken
  • wakkeren
  • wankelen
  • weerleggen
  • weerpreken
  • weerspiegelen
  • weerspreken
  • weerstaan
  • wegblijven
  • wegbrengen
  • wegdoen
  • wegen
  • weggaan
  • weggeven
  • wegglijden
  • weggooien
  • weghalen
  • weghouden
  • wegjagen
  • weglakken
  • wegleiden
  • weglopen
  • wegnemen
  • wegrennen
  • wegrijden
  • wegroepen
  • wegschrapen
  • wegschroeien
  • wegslaan
  • wegslepen
  • wegsnijden
  • wegspringen
  • wegstoten
  • wegsturen
  • wegtrekken
  • wegvallen
  • wegvliegen
  • wegvloeien
  • wegvoeren
  • wegwerken
  • wegwuiven
  • wegzakken
  • weigeren
  • wemelen
  • wennen
  • weren
  • werpen
  • werven
  • weven
  • wijten
  • wijzen
  • wijzen op
  • wijzigen
  • wikkelen
  • winnen
  • wippen
  • wisselen
  • woeden
  • worstelen
  • wurgen
  • zaaien
  • zagen
  • zaken doen
  • zakken
  • zegevieren
  • zeggen
  • zeilen
  • zetelen
  • zetten
  • zeuren
  • zich afspelen
  • zich beroepen op
  • zich bezighouden
  • zich een weg banen
  • zich gedragen
  • zich houden aan
  • zich inzetten
  • zich mengen
  • zich onthouden
  • zich richten
  • zich schamen
  • zich scharen
  • zich uitlaten
  • zich verheugen
  • zich verzetten
  • zich voorbereiden
  • zich voordoen
  • zich zorgen maken
  • zingen
  • zinken
  • zoeken
  • zoekraken
  • zoemen
  • zorgen
  • zorgen maken
  • zuiveren
  • zwaaien
  • zwakken
  • zwartlakken
  • zwartmaken
  • zwellen
  • zwemmen
  • zweren
  • zweten
  • zweven
  • zwichten
  • zwijgen
← Previous
snaphetBeta
NewsVideosAll wordsMy wordsPrivacyContact
© 2026 SnapHet