Dutch verbs
1920 words · Page 10 of 10
- vrijspreken
- vullen
- vuren
- vuuren
- vuurspuwen
- waaien
- waarborgen
- waarderen
- waarmaken
- waarnemen
- waarschuwen
- wachten
- wagen
- waken
- wakkeren
- wankelen
- weerleggen
- weerpreken
- weerspiegelen
- weerspreken
- weerstaan
- wegblijven
- wegbrengen
- wegdoen
- wegen
- weggaan
- weggeven
- wegglijden
- weggooien
- weghalen
- weghouden
- wegjagen
- weglakken
- wegleiden
- weglopen
- wegnemen
- wegrennen
- wegrijden
- wegroepen
- wegschrapen
- wegschroeien
- wegslaan
- wegslepen
- wegsnijden
- wegspringen
- wegstoten
- wegsturen
- wegtrekken
- wegvallen
- wegvliegen
- wegvloeien
- wegvoeren
- wegwerken
- wegwuiven
- wegzakken
- weigeren
- wemelen
- wennen
- weren
- werpen
- werven
- weven
- wijten
- wijzen
- wijzen op
- wijzigen
- wikkelen
- winnen
- wippen
- wisselen
- woeden
- worstelen
- wurgen
- zaaien
- zagen
- zaken doen
- zakken
- zegevieren
- zeggen
- zeilen
- zetelen
- zetten
- zeuren
- zich afspelen
- zich beroepen op
- zich bezighouden
- zich een weg banen
- zich gedragen
- zich houden aan
- zich inzetten
- zich mengen
- zich onthouden
- zich richten
- zich schamen
- zich scharen
- zich uitlaten
- zich verheugen
- zich verzetten
- zich voorbereiden
- zich voordoen
- zich zorgen maken
- zingen
- zinken
- zoeken
- zoekraken
- zoemen
- zorgen
- zorgen maken
- zuiveren
- zwaaien
- zwakken
- zwartlakken
- zwartmaken
- zwellen
- zwemmen
- zweren
- zweten
- zweven
- zwichten
- zwijgen