uitblinken
to excel, to stand out, standout player
Also used as: noun
Forms you will meet
- blonk uit
- blonken uit
- uitblinkende
- uitblinker
- uitblonk
Meaning
- to excel
- to stand out
- standout player
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- blonk uit
- Past participle (perfectum)
- uitgeblonken
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Bo Kramer tekende voor 25 punten en Mariska Beijer voor 24, terwijl Kady Dandeneau bij Canada uitblonk met 35 punten.”From this article →
- “Keepsters Cristina Cosentino en Anne Veenendaal blonken uit met meerdere reddingen.”From this article →
- “In de Klassieker in Amsterdam, 2-0, blonk hij uit bij zijn eerste basisplaats.”From this article →
Save this word and practice it later.