uitwijken

to avoid, to swerve, to relocate, to divert, to move

Forms you will meet

  • uitweken
  • uitwijken
  • week naar uvira uit
  • week uit
  • wijken uit
  • wijkt uit

Meaning

  • to avoid
  • to swerve
  • to relocate
  • to divert
  • to move

Past tenses

Simple past (imperfectum)
week uit
Past participle (perfectum)
uitgeweken
Auxiliary
hebben

In a real sentence

  • “De sector zoekt al de hele zomer naar noodoplossingen en vreest imagoschade, omdat verladers uitwijken naar vrachtwagens.”From this article →
  • “De touringcar week uit, kantelde op de andere rijbaan, het busje brak doormidden.”From this article →
  • “De bus week uit, belandde op de andere rijbaan en kantelde.”From this article →

Save this word and practice it later.

Look up another word