uitrusten
to rest, to equip
Forms you will meet
- uit te rusten
- uitgerust
- uitrusten
Meaning
- to rest
- to equip
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- rustte uit
- Past participle (perfectum)
- uitgerust
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “33 kinderen uit Oekraïne zijn op bezoek in Nederland. Ze mogen hier twee weken uitrusten, omdat het oorlog is in hun land.”From this video →
- “zodat iedereen kan uitrusten en de reis van morgen kan plannen”From this article →
- “De camping en essentiële voorzieningen blijven nog een dag open, zodat iedereen kan uitrusten en de terugreis kan regelen.”From this article →
Save this word and practise it later.