Dutch verbs
1920 words · Page 2 of 10
- behandelen
- beheersen
- beheren
- behoren
- behouden
- beindigen
- beinvloeden
- bekendmaken
- bekendstaan
- bekennen
- bekijken
- bekladden
- beklagen
- beklijven
- beklimmen
- bekogelen
- bekostigen
- bekrachtigen
- bekritiseren
- bekronen
- belagen
- belanden
- belasten
- belazeren
- beledigen
- belegeren
- beleggen
- belemmeren
- belichten
- bellen
- belonen
- beloven
- beluisteren
- bemachtigen
- bemannen
- bemiddelen
- bemoeien
- bemoeilijken
- benadelen
- benaderen
- benadrukken
- benoemen
- benutten
- beogen
- beoordelen
- bepalen
- beperken
- bepleiten
- berechten
- beregenen
- bereiken
- bergen
- berokkenen
- beroven
- berusten
- beschadigen
- beschermen
- beschieten
- beschikken
- beschuldigen
- beseffen
- beslaan
- beslissen
- besluiten
- besmet raken
- besmetten
- besparen
- bespreken
- besprenkelen
- bespringen
- besproeien
- bestaan
- besteden
- bestellen
- bestemmen
- bestempelen
- bestoken
- bestraffen
- bestrijden
- bestuderen
- bestuiven
- besturen
- betalen
- betasten
- betekenen
- beteren
- betogen
- betrappen
- betreden
- betreffen
- betrekken
- betreuren
- betuigen
- betwijfelen
- betwisten
- bevallen
- bevatten
- beveiligen
- bevelen
- bevestigen
- bevinden
- bevoordelen
- bevoorraden
- bevorderen
- bevragen
- bevriezen
- bevrijden
- bewaken
- bewapenen
- bewaren
- bewegen
- beweren
- bewerken
- bewijzen
- bezetten
- bezitten
- bezoeken
- bezorgen
- bezuinigen
- bezwijken
- bidden
- bieden
- bijbenen
- bijbetalen
- bijbouwen
- bijdraaien
- bijdragen
- bijeenkomen
- bijhalen
- bijhoren
- bijhouden
- bijkomen
- bijleggen
- bijpraten
- bijspringen
- bijstaan
- bijstellen
- bijsturen
- bijvullen
- bijwerken
- bijwonen
- binden
- binnenblijven
- binnenbreken
- binnendringen
- binnengaan
- binnenhalen
- binnenkomen
- binnenkoppen
- binnenkrijgen
- binnenlopen
- binnenschieten
- binnenslepen
- binnensmokkelen
- binnenstromen
- binnentikken
- binnentrekken
- binnenvallen
- binnenvaren
- bleken
- blijken
- blijven
- blijven steken
- blinddoeken
- bloeien
- blokkeren
- blootleggen
- blootstellen
- blussen
- boeken
- bombarderen
- boren
- botsen
- bouwen
- bovenkomen
- brallen
- branden
- breken
- broeden
- buigen
- buiten gevecht stellen
- buitenkijfstaan
- buitenspelen
- buitmaken
- bukken
- chanteren
- citeren
- combineren
- controleren
- coördineren
- crashen
- creperen
- dagvaarden
- dalen
- danken
- dateren
- deactiveren
- deelnemen
- deel uitmaken
- degraderen