behoeden

to spare / to protect

Past tenses

Simple past (imperfectum)
behoedde
Past participle (perfectum)
behoed
Auxiliary
hebben

In a real sentence

  • “Eigenlijk alleen maar het negatieve wat ik achter mij heb kunnen laten, daar probeer ik ze nu van te behoeden.”From this video →

Save this word and practice it later.

Look up another word