Dutch verbs
2322 words · Page 3 of 12
- binnenkrijgen
- binnenlaten
- binnenlopen
- binnenschieten
- binnenschuiven
- binnenslepen
- binnensmokkelen
- binnenstromen
- binnentikken
- binnentrekken
- binnenvallen
- binnenvaren
- blaffen
- blazen
- bleken
- blesseren
- blijken
- blijven
- blijven steken
- blinddoeken
- bloeien
- blokkeren
- blootleggen
- blootstellen
- blozen
- blussen
- boeien
- boeken
- boffen
- bombarderen
- bonzen
- borduren
- boren
- botse n
- botsen
- bouwen
- bovenkomen
- braken
- brallen
- branden
- breken
- broeden
- bruizen
- buigen
- buiten gevecht stellen
- buitenkijfstaan
- buitensluiten
- buitenspelen
- buitmaken
- bukken
- chanteren
- citeren
- combineren
- condoleren
- contact opnemen
- controleren
- coördineren
- crashen
- creperen
- dagvaarden
- dalen
- dammen
- danken
- dateren
- deactiveren
- de benen nemen
- debuteren
- deelnemen
- deel uitmaken
- degraderen
- dekken
- delen
- delven
- demarreren
- demonteren
- dempen
- denderen
- dichtdoen
- dichten
- dichtklappen
- dichtknijpen
- dichtmaken
- dicteren
- dienen
- differentieren
- dingen
- dirigeren
- doden
- doen
- doen alsof
- donderen
- doodgaan
- doodschieten
- doorberekenen
- doorbranden
- doorbreken
- doorbrengen
- doordringen
- door elkaar halen
- doorfietsen
- doorgaan
- doorgeven
- doorgroeien
- doorhakken
- doorhebben
- doorklemmen
- doorknippen
- doorkomen
- doorkruisen
- doorlaten
- doorlichten
- doorlopen
- doormaken
- doorrekenen
- doorrijden
- doorslapen
- doorsluizen
- doorspelen
- doorspoelen
- doorstaan
- doorstappen
- doorstromen
- doorsturen
- doortekenen
- doortrekken
- doorvaren
- doorverbinden
- doorvertellen
- doorverwijzen
- doorvoeren
- doorwerken
- doorzetten
- doorzoeken
- dopen
- dotteren
- doven
- draaien
- dragen
- draven
- dreigen
- drijven
- dringen
- drogen
- dromen
- droogvallen
- drukken
- druk zetten
- druppelen
- duiden
- duiken
- dulden
- dupen
- duren
- durven
- duwen
- dwarsliggen
- dwarszitten
- dweilen
- dwingen
- eindigen
- eisen
- enteren
- erachterkomen
- erafhalen
- erafvallen
- erbij horen
- eren
- erin komen
- erkennen
- erover doen
- eruit halen
- eruitkomen
- eruit liggen
- eruitliggen
- eruitsnijden
- eruitspringen
- eruitvliegen
- eruitzien
- ervanuitgaan
- ervaren
- escaleren
- etteren
- evacueren
- evenaren
- failleren
- failliet gaan
- falen
- feliciteren
- fietsen
- figureren
- financieren
- flauwvallen
- flitsen
- fluiten
- fokken
- foppen
- fouilleren
- frommelen
- fronsen
- fungeren