Dutch verbs
1920 words · Page 3 of 10
- dekken
- delen
- delven
- demarreren
- dempen
- dichtdoen
- dichten
- dichtmaken
- dienen
- differentieren
- dingen
- doden
- doen alsof
- doodgaan
- doodschieten
- doorberekenen
- doorbranden
- doorbreken
- doorbrengen
- doordringen
- doorfietsen
- doorgaan
- doorgeven
- doorgroeien
- doorhakken
- doorhebben
- doorknippen
- doorkomen
- doorkruisen
- doorlaten
- doorlichten
- doorlopen
- doormaken
- doorrekenen
- doorrijden
- doorsluizen
- doorspelen
- doorspoelen
- doorstaan
- doorsturen
- doorvaren
- doorverbinden
- doorvertellen
- doorvoeren
- doorwerken
- doorzetten
- doorzoeken
- doven
- draaien
- dragen
- draven
- dreigen
- drijven
- dringen
- drogen
- dromen
- droogvallen
- drukken
- druk zetten
- druppelen
- duiden
- duiken
- dulden
- duren
- durven
- dwarsliggen
- dwarszitten
- dwingen
- eindigen
- eisen
- enteren
- erafvallen
- erbij horen
- eren
- erkennen
- eruit halen
- eruit liggen
- eruitliggen
- eruitspringen
- eruitvliegen
- ervaren
- escaleren
- etteren
- evacueren
- evenaren
- falen
- feliciteren
- financieren
- flauwvallen
- flitsen
- fluiten
- fokken
- foppen
- fronsen
- fungeren
- fuseren
- gebeuren
- gebruiken
- gedragen
- gelasten
- gelden
- geleiden
- gelijkspelen
- gelijkstellen
- gelijktrekken
- geloven
- genezen
- genieten
- geraken
- gereedstaan
- geruststellen
- getuigen
- gevangen nemen
- gieten
- gijzelen
- gillen
- glijden
- glinsteren
- glippen
- goedkeuren
- goedmaken
- gokken
- gooien
- graven
- grenzen
- grijpen
- groeien
- groeten
- gunnen
- hakken
- halen
- halveren
- hamsteren
- handelen
- handhaven
- haperen
- heffen
- hekelen
- heractiveren
- herbeoordelen
- herbergen
- herbestemmen
- herbewapenen
- herdenken
- hergebruiken
- herhalen
- herinneren
- herkennen
- hernemen
- heronderhandelen
- heropenen
- heroveren
- herpakken
- herschrijven
- herstellen
- hervatten
- herzien
- hesen
- heten
- hijsen
- hinderen
- hoeven
- hooghouden
- horen
- horen bij
- houden
- houden in de gaten
- huisvesten
- huldigen
- huppelen
- huren
- imponeren
- in aanmerking komen
- in aanraking komen
- inademen
- in beeld komen
- in beslag nemen
- inblazen
- in brand steken
- in brand vliegen
- inbreken
- inbrengen
- incasseren
- indammen
- in de gaten houden
- in de wacht slepen
- indexeren
- indienen
- in dienst nemen
- indraaien
- indrukken
- ingaan
- ingaan op
- in gebruik nemen
- ingemetselen
- ingestorten
- ingrijpen
- inhaalen
- inha len
- inhalen