buitmaken
to steal, to loot, taken, to have stolen, were taken
Also used as: adjective
Forms you will meet
- buitgemaakt
- buitgemaakte
- buitmaakte
Meaning
- to steal
- to loot
- taken
- to have stolen
- were taken
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- maakte buit
- Past participle (perfectum)
- buitgemaakt
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Polarsteps zegt dat er geen wachtwoorden zijn buitgemaakt en dat FTM geen accounttoegang had.”From this article →
- “Polarsteps zegt dat wachtwoorden niet zijn buitgemaakt en dat FTM geen directe accounttoegang had.”From this article →
- “anders publiceren zij de buitgemaakte gegevens.”From this article →
Save this word and practice it later.