braken
vomiting, to vomit
Also used as: noun
Meaning
- vomiting
- to vomit
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- braakte
- Past participle (perfectum)
- gebraakt
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Het bedrijf haalde potten en pakken babyvoeding uit de schappen in meerdere landen, ook in Nederland, vanwege de stof cereulide, die braken en diarree kan veroorzaken.”From this article →
- “Ik daarin braken.”From this video →
- “Deze stof geeft braken en diarree.”From this article →
Save this word and practice it later.