doorgeven

to pass on, to transmit

Forms you will meet

  • doorgaf
  • doorgegeven
  • doorgeven
  • gaf door
  • gaven door
  • geeft door
  • geven door
  • geven het niet door

Meaning

  • to pass on
  • to transmit

Past tenses

Simple past (imperfectum)
gaf door
Past participle (perfectum)
doorgegeven
Auxiliary
hebben

In a real sentence

Save this word and practice it later.

Look up another word