blesseren

to injure

Past tenses

Simple past (imperfectum)
blesseerde
Past participle (perfectum)
geblesseerd
Auxiliary
hebben

In a real sentence

  • “Van Hecke raakt geblesseerd en verlaat Oranje, team reist met 23 spelers naar Griekenland”From this article →
  • “In minuut 17 raakt Cody Gakpo geblesseerd na een duw van Sasa Lukic.”From this article →
  • “Vivianne Miedema heeft tijdens een training opnieuw haar knie geblesseerd, meldt Manchester City.”From this article →

Save this word and practice it later.

Look up another word