Dutch verbs
2325 words · Page 5 of 12
- inzien
- inzweren
- jagen
- janken
- jatten
- jeuken
- jokken
- jongleren
- juichen
- kaatsen
- kachelen
- kakken
- kalmeren
- kampen
- kans maken
- kantelen
- kapen
- kapotgaan
- kapotmaken
- kapseizen
- kauwen
- kelderen
- kennen
- kennismaken
- keren
- kermen
- kerven
- keuren
- kiezen
- kijken
- klaarmaken
- klaarstaan
- klaarzetten
- klagen
- klappen
- klaren
- klemmen
- kletsen
- kletteren
- kleven
- klimmen
- klinken
- klokken
- klonteren
- klooien
- kloppen
- klussen
- knaagen
- knabbelen
- knagen
- knallen
- kneden
- kneuzen
- knielen
- knijpen
- knikken
- knippen
- knipperen
- knokken
- knuffelen
- knutselen
- koelen
- koersen
- komen om
- kondigen
- kooivechten
- kopen
- kopje onder gaan
- koppelen
- koppen
- korten
- kosten
- kotsen
- kraken
- kreunen
- kriebelen
- krijgen
- krimpen
- krompen
- kronen
- kruipen
- kruisen
- krullen
- kweken
- kwetsen
- kwijt raken
- kwijtraken
- kwijtschelden
- laagduiken
- laaien
- lachen om
- laden
- lak hebben aan
- lamleggen
- lanceren
- landen
- langlaufen
- langsgaan
- langskomen
- lassen
- lastigvallen
- last krijgen
- laten gaan
- laten liggen
- laten varen
- laten zien
- leegmaken
- legeren
- leggen
- leiden
- leidinggeven
- lekken
- lekprikken
- lenen
- lesgeven
- letten op
- leunen
- leveren
- liefhebben
- liegen
- liggen
- lijden
- lijken
- loeien
- loeren
- logeren
- lokken
- lonen
- loodsen
- lopen
- losbarsten
- losbreken
- losdraaien
- losgooien
- loskomen
- loskoppelen
- loslaten
- losmaken
- losraken
- losrukken
- lossen
- losstaan
- loten
- lozen
- luiden
- luisteren
- lukken
- lullen
- lusten
- maaien
- malen
- martelen
- meebeslissen
- meebetalen
- meebewegen
- meebouwen
- meebrengen
- meedelen
- meedenken
- meedingen
- meedoen
- meedraaien
- meedragen
- meefietsen
- meegaan
- meegeven
- meegluren
- meehelpen
- meekijken
- meekomen
- meekrijgen
- meeleven
- meelezen
- meelopen
- meemaken
- meenemen
- meepraten
- meeschrijven
- meeschuiven
- meesleuren
- meesmokkelen
- meespelen
- meestijgen
- meetellen
- meetrainen
- meevallen
- meevaren
- meevieren
- meevliegen
- meewassen
- meewegen
- meewerken
- meezingen
- meezitten
- melden
- menen
- mengen
- merken
- meten
- metselen