Dutch verbs
1920 words · Page 5 of 10
- meetellen
- meevaren
- meevliegen
- meewassen
- meewegen
- meewerken
- meezingen
- meezitten
- melden
- mengen
- merken
- meten
- mijden
- mikken
- mikken op
- misbruiken
- misdragen
- misgaan
- misgrijpen
- mishandelen
- mislopen
- mislukken
- missen
- moedigen
- mogen
- morsen
- munten
- naaien
- naar buiten komen
- naar voren schuiven
- nablussen
- nabouwen
- naderen
- nadoen
- nagaan
- nagelopen
- nakijken
- nakomen
- naleven
- nalopen
- napraten
- naspelen
- natekenen
- nationaliseren
- natmaken
- neerhalen
- neerkomen
- neerleggen
- neerplonzen
- neerschieten
- neerslaan
- neersteken
- neerstorten
- neerstrijken
- neervallen
- neerzetten
- negeren
- nekken
- noemen
- noteren
- oefenen
- omarmen
- omboeken
- ombouwen
- ombrengen
- ombuigen
- omdopen
- omdraaien
- omgaan
- omgeven
- omhelzen
- om het leven komen
- omkeren
- omkleden
- omkomen
- omlaaggaan
- omleiden
- omrijden
- omringen
- omsingelen
- omslaan
- omslagen
- omsmelten
- omvallen
- omvatten
- omverblazen
- omwaaien
- omwisselen
- omzeilen
- omzetten
- om zich heen grijpen
- onderbouwen
- onderbreken
- onderbrengen
- onder de knie hebben
- onderdompelen
- onderdrukken
- onderduiken
- ondergaan
- ondergraven
- onderhandelen
- onderhouden
- onderkoelen
- ondermijnen
- ondernemen
- onderscheppen
- onderschieten
- onderschrijven
- onderspuiten
- ondersteunen
- onderstrepen
- ondertekenen
- onderuitgaan
- ondervinden
- onder vuur nemen
- onder vuur staan
- onderzoeken
- ongedaan maken
- onschadelijk maken
- ontaarden
- ontbieden
- ontbinden
- ontbreken
- ontdekken
- ontfutselen
- onthouden
- onthullen
- ontkennen
- ontkrachten
- ontlasten
- ontmantelen
- ontmijnen
- ontmoedigen
- ontmoeten
- ontploffen
- ontraden
- ontregelen
- ontruimen
- ontslaan
- ontsleutelen
- ontsluiten
- ontsnappen
- ontsporen
- ontstaan
- ontsteken
- onttrekken
- ontvangen
- ontvluchten
- ontvoeren
- ontvolken
- ontvouwen
- ontwaken
- ontwapenen
- ontwerpen
- ontwijken
- ontwikkelen
- ontwrichten
- ontzien
- onweren
- oogsten
- oordelen
- op adem komen
- opblazen
- opblijven
- opboksen
- opbouwen
- opbuizen
- op de hoogte brengen
- op de hoogte zijn
- opdelen
- op de tocht staan
- opdoen
- opdragen
- opdrijven
- opdrogen
- opduiken
- opeisen
- openbaren
- opendraaien
- openhouden
- openmaken
- openstaan
- opereren
- opeten
- opgaan
- op gang brengen
- op gang komen
- opgeven
- opgraven
- opgroeien
- ophalen
- ophangen
- opheffen
- op het matje roepen
- op het puntje van zijn stoel zitten
- op het spoor komen
- ophokken
- op hol gaan
- op hol slaan
- ophouden