Dutch verbs
2512 words · Page 12 of 13
- versleutelen
- verslinden
- versmallen
- versnellen
- versoepelen
- verspeelen
- verspelen
- verspillen
- verspreiden
- verspringen
- verstaan
- verstenen
- versterken
- verstevigen
- verstoppen
- verstoren
- verstrekken
- verstrijken
- verstrikken
- verstuiken
- versturen
- vertalen
- vertegenwoordigen
- vertellen
- verteren
- vertolken
- vertragen
- vertrappen
- vertrekken
- vertroetelen
- vertrouwen
- vervagen
- verval
- vervallen
- vervalsen
- vervangen
- vervelen
- verven
- verviervoudigen
- vervijfvoudigen
- vervoeren
- vervolgen
- vervormen
- vervroegen
- vervuilen
- verwaarlozen
- verwachten
- verwarden
- verwateren
- verwekken
- verwennen
- verwerken
- verwerpen
- verwerven
- verwijderen
- verwijten
- verwijzen
- verwisselen
- verwittigen
- verwoesten
- verwonden
- verwoorden
- verzachten
- verzadigen
- verzakken
- verzamelen
- verzekeren
- verzetten
- verzilveren
- verzinnen
- verzoeken
- verzorgen
- verzuipen
- verzwakken
- verzwaren
- verzwijgen
- vestigen
- vieren
- vinden
- viseren
- vissen
- vlam vatten
- vlamvatten
- vleien
- vliegen
- vliegeren
- vloeien
- vluchten
- voeden
- voegen
- voelen
- voeren
- voet aan de grond krijgen
- vogelen
- volbrengen
- voldoen
- volgen
- volhouden
- vollopen
- volmaken
- volproppen
- volstaan
- voltooien
- voorafgaan
- voor anker gaan
- voorbereiden
- voorbijgaan
- voorbijkomen
- voorbijrijden
- voorbijstreven
- voorblijven
- voordoen
- voordragen
- voordringen
- voor elkaar krijgen
- voorhouden
- voorkomen
- voorleiden
- voorlezen
- voor lul staan
- voorop staan
- vooropstellen
- voorschrijven
- voorspellen
- voorstaan
- voorstellen
- voortbouwen
- voortbouwen op
- voortbrengen
- voortduren
- voortkomen
- voortplanten
- voortzetten
- vooruitkijken
- vooruitlopen
- vooruitschuiven
- voorzien
- voorzitten
- vorderen
- vormen
- vouwen
- vragen
- vreten
- vrezen
- vriezen
- vrijgeven
- vrijkomen
- vrijlaten
- vrijleggen
- vrijmaken
- vrijspreken
- vullen
- vuren
- vuuren
- vuurspuwen
- waaien
- waarborgen
- waarderen
- waarmaken
- waarnemen
- waarschuwen
- wachten
- wagen
- waken
- wakkeren
- wakker liggen
- walgen
- wankelen
- wapperen
- weergeven
- weerkaatsen
- weerleggen
- weerpreken
- weerspiegelen
- weerspreken
- weerstaan
- wegblijven
- wegbrengen
- wegdenken
- wegdoen
- wegdromen
- wegduwen
- wegebben
- wegen
- weggaan
- weggeven
- wegglijden
- weggooien
- weghalen
- weghouden
- wegjagen
- wegknippen
- wegkomen
- wegkrijgen
- wegkwijnen
- weglakken
- wegleggen
- wegleiden
- weglopen
- wegnemen