Dutch adjectives
987 words · Page 5 of 5
- verdrietig
- verdroogd
- vereist
- vergaand
- vergelijkbaar
- verhard
- verheugd
- verhit
- verkapt
- verkeerd
- verkennen
- verkennend
- verlamd
- verlegen
- verleidelijk
- verlopen
- vermeend
- verminderd
- vermist
- vermiste
- vermoedelijk
- vermoeden
- vernietigend
- vernoemd
- verondersteld
- verontrustend
- verontwaardigd
- veroordeeld
- verouderd
- verpletterd
- verpletterend
- verplicht
- verraden
- verraderlijk
- verrassend
- verregaand
- verrijken
- verrijkt
- verrukkelijk
- vers
- verschillend
- verschrikkelijk
- versierd
- verslaafd
- verslavend
- versleutelen
- versnipperd
- verspreid
- verstandig
- verstikkend
- verstoord
- verstopt
- verstorend
- vertegenwoordigd
- vertekend
- vertrekkend
- vertrouwelijk
- vervalst
- vervangbaar
- vervelend
- vervormd
- vervormen
- vervuild
- verwant
- verward
- verwerpelijk
- verwoest
- verwoestend
- verwonderd
- verzadigd
- verzegelen
- verziekt
- verzoenend
- verzwakt
- vet
- vettig
- vierdaags
- vierkant
- vierkoppig
- viervoudig
- vies
- vijandelijk
- vijandig
- vlagerig
- vleiend
- vlekkeloos
- vloeibaar
- vlot
- vluchtig
- vochtig
- voelbaar
- vol
- volgend
- volgende
- volledig
- volwassen
- voorafgaand
- voorbereid
- voorbereidend
- voorgaand
- voorkomend
- voorlaatste
- voorlopig
- voormalig
- voorspelbaar
- voorspoedig
- voortdurend
- voortijdig
- voortvarend
- voortvluchtig
- voorwaardelijk
- voorzichtig
- voorzien
- vorig
- vorige
- vreedzaam
- vreemd
- vreselijk
- vroegere
- vroegtijdig
- vruchtbaar
- vuurspuwend
- waard
- waardevol
- waarneembaar
- waarnemend
- waarschijnlijk
- wankel
- watergedragen
- wazig
- wederrechtelijk
- wederzijds
- weerbaar
- weergaloos
- welverdiend
- werkbaar
- werkelijk
- wervelend
- wettelijk
- wezenloos
- wijdverbreid
- willekeurig
- winstgevend
- wisselend
- woedend
- wolharig
- zacht
- zakelijk
- zat
- zeker
- zeldzaam
- zelfbenoemd
- zelfredzaam
- zelfrijdend
- zelfstandig
- zenuwachtig
- zenuwslopend
- zichtbaar
- ziek
- zielig
- zinderend
- zinloos
- zittend
- zittende
- zoek
- zoet
- zogeheten
- zogenaamd
- zonde
- zonnig
- zorgelijk
- zorgvuldig
- zorgwekkend
- zuidelijk
- zuinig
- zuiver
- zuiveren
- zuur
- zwaar
- zwaarbewapend
- zwaargewond
- zwaargewonde
- zwaarwegend
- zwak
- zwanger
- zwartgeblakerd
- zwartgemaakt