Nederlandse werkwoorden
1920 woorden · Pagina 6 van 10
- opjagen
- opkijken
- opklaren
- opknappen
- opkomen
- opkomen voor
- opkrikken
- oplaaien
- opladen
- opleggen
- opleiden
- opletten
- opleveren
- oplichten
- oplikken
- oplopen
- oplossen
- opmaken
- opmerken
- opmeten
- opnemen
- op pad gaan
- oppakken
- oppassen
- opperen
- oppikken
- opplakken
- oppoetsen
- oppompen
- opraken
- oprichten
- oproepen
- oprollen
- opruimen
- oprukken
- opschalen
- opschieten
- opschorten
- opschrijven
- opschuiven
- opslaan
- opslokken
- opsluiten
- opsplitsen
- opsporen
- opstaan
- opstapelen
- opstappen
- opstarten
- opsteken
- opstellen
- opstijgen
- opstomen
- opstrijken
- opsturen
- opstuwen
- optraden
- optreden
- optrekken
- opvallen
- opvangen
- opveren
- opvoeden
- opvoeren
- opvolgen
- opvragen
- opvullen
- opwarmen
- opwekken
- opzadelen
- opzetten
- op zich nemen
- opzijschuiven
- opzijzetten
- opzoeken
- opzuigen
- overblijven
- overbrengen
- overbruggen
- overdragen
- overdrijven
- overeenkomen
- overgaan
- overgeven
- overhalen
- overhandigen
- overheersen
- overhouden
- overkomen
- overladen
- overleggen
- overleven
- overlijden
- overlopen
- overmaken
- overnachten
- overnemen
- overroteren
- overschakelen
- overschatten
- overschrijden
- overslaan
- overspoelen
- overstag gaan
- overstappen
- oversteken
- overstromen
- overtreden
- overtreffen
- overtuigen
- overvallen
- overwegen
- overzetten
- paaien
- paardrijden
- pakken
- pareren
- passeren
- patrouilleren
- pauzeren
- peilen
- pendelen
- pesten
- pieken
- piekeren
- pinnen
- plaatsen
- plaatsvinden
- plakken
- platbranden
- platleggen
- plegen
- pleiten
- plenzen
- plonsen
- plukken
- plunderen
- poepen
- pogen
- polijsten
- praten
- presteren
- prijzen
- prikkelen
- prikken
- proberen
- profiteren
- proosten
- proppen
- protesteren
- publiceren
- quitte draaien
- quitte spelen
- raadplegen
- ra(a)ken
- raken
- ramen
- reageren
- reanimeren
- rechtstaan
- rechtvaardigen
- reconstrueren
- redden
- regelen
- regenen
- regeren
- regisseren
- reiken
- reinigen
- reizen
- rekenen
- rekenen op
- rekening houden
- rekken
- remmen
- repatriëren
- repeteren
- reserveren
- respecteren
- resteren
- revalideren
- richten
- richten op
- ridderen
- rijden
- rijzen
- roeien
- roemen
- roepen
- roepen op
- rollen
- ronddrijven
- rondgaan
- rondrennen
- rondrijden
- ronselen
- rouleren
- rouwen
- roven
- ruiken