zweren
to swear, to vow
Forms you will meet
- trouw zweren
- zweert
- zweren
Meaning
- to swear
- to vow
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- zwoer
- Past participle (perfectum)
- gezworen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Onderzoekers denken dat de twee trouw zweren aan IS.”From this article →
- “Rechercheurs denken dat de twee trouw aan IS wilden zweren.”From this article →
- “Vier ministers hoefden niet opnieuw te zweren: Hermans, Karremans, Van Weel en Heinen.”From this article →
Save this word and practise it later.