zwellen
to swell
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- zwol
- Past participle (perfectum)
- gezwollen
- Auxiliary
- zijn
In a real sentence
- “Zwelt de luchtpijp, dan plaatsen ze snel een buisje.”From this article →
- “Zwelt de luchtweg, dan volgt snelle intubatie.”From this article →
Save this word and practise it later.