wiebelen

to wobble

Past tenses

Simple past (imperfectum)
wiebelde
Past participle (perfectum)
gewiebeld
Auxiliary
hebben

In a real sentence

  • “Dus toen ging ik deed het wiebelen en toen had ik eigenlijk steeds meer zin om een vraag te stellen.”From this video →

Save this word and practice it later.

Look up another word