Dutch adjectives
987 words · Page 3 of 5
- kwijt
- laag
- laagvliegend
- laatste
- laf
- lafhartig
- landelijk
- lang
- langdurig
- langstzittende
- langzaam
- lastig
- leeg
- leerzaam
- leesbaar
- leidend
- levend
- levendig
- levensbedreigend
- levensecht
- levensgevaarlijk
- levenslang
- levensreddend
- lichterlaaie
- liefkozend
- listig
- loden
- logistiek
- lomp
- loodzwaar
- lopend
- losbandig
- luchtig
- maatschappelijk
- machteloos
- machtig
- mager
- makkelijk
- marcherend
- markant
- massaal
- meerdere
- meereizend
- meeslepend
- menselijk
- mensgemaakt
- mensonterend
- merkbaar
- middelbaar
- militair
- minderjarig
- misleidend
- mislukt
- misplaatst
- misselijk
- modaal
- moeilijk
- moeizaam
- mogelijk
- moorddadig
- naar
- naastgelegen
- naastliggend
- nabij
- nabijgelegen
- nachtelijk
- nader
- naderend
- nat
- nauw
- nauwkeurig
- nederlandstalig
- neerwaarts
- nep
- nieuwsgierig
- nipt
- nodig
- noemenswaardig
- noodzakelijk
- nucleair
- nuttig
- oeroud
- omgekeerd
- omkeerbaar
- omkomen
- omliggend
- omslachtig
- omstreden
- omvangrijk
- onaangekondigd
- onaantastbaar
- onaanvaardbaar
- onacceptabel
- onafhankelijk
- onbegaanbaar
- onbekend
- onbelast
- onbeleefd
- onbemand
- onbemande
- onbenoemd
- onbepaald
- onbeperkt
- onbereikbaar
- onbeschadigd
- onbeslist
- onbespreekbaar
- onbevestigd
- onbewapend
- onbewoond
- onbruikbaar
- ondergeschikt
- ondergronds
- ondergrondse
- onderhouden
- onderling
- ondermijnend
- onderscheiden
- onderuitgezakt
- ondervoed
- ondeugend
- ondoorzoekbaar
- ondraaglijk
- onduidelijk
- oneens
- oneerlijk
- ongedeerd
- ongegrond
- ongehinderd
- ongekend
- ongeldig
- ongemakkelijk
- ongemerkt
- ongeneeslijk
- ongeoorloofd
- ongeordend
- ongerust
- ongeschikt
- ongeslagen
- ongevoelig
- ongevraagd
- ongewapend
- ongewenst
- ongewoon
- ongezond
- onhaalbaar
- onherkenbaar
- onjuist
- onleesbaar
- onmiddellijk
- onnodig
- onoorbaar
- onopgelost
- onopgemerkt
- onpartijdig
- onrechtmatig
- onrijp
- onrustig
- onschadelijk
- onschuldig
- onsportief
- onstuimig
- ontbreken
- ontbrekend
- onterecht
- ontevreden
- ontheemd
- ontregeld
- ontroostbaar
- ontvlambaar
- ontwricht
- onuitgewerkt
- onveilig
- onverantwoord
- onverenigbaar
- onverwacht
- onvoldoende
- onvolledig
- onvoorspelbaar
- onvoorwaardelijk
- onwaarschijnlijk
- onweerstaanbaar
- onwel
- onwerkelijk
- onwettig
- onzeker
- onzichtbaar
- onzorgvuldig
- opeenvolgend
- openbaar
- operationeel
- opgelucht
- opkomen
- opkomend
- oplopen
- oppermachtig
- oprecht
- opruiend
- opvallen
- opvallend