
overleven
to survive, survivor
Also used as: noun
Forms you will meet
- overleef
- overleefd
- overleefd hebben
- overleefden
- overleeft
- overleven
- overlevende
- overlevenden
Meaning
- to survive
- survivor
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- overleefde
- Past participle (perfectum)
- overleefd
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Het doel zoveel mogelijk tegenstanders uitschakelen en zelf zo lang mogelijk overleven.”From this video →
- “we zijn bang dat hij eh de winter niet helemaal gaat overleven”From this video →
- “In totaal hebben 43 opvarenden het overleefd.”From this article →
Save this word and practice it later.