
oproepen
to call up, to urge, to call on, to call for, to call
Forms you will meet
- opgeroepen
- opriep
- opriepen
- oproepen
- oproept
- riep op
- riepen op
- roepen op
- roept op
Meaning
- to call up
- to urge
- to call on
- to call for
- to call
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- riep op
- Past participle (perfectum)
- opgeroepen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Bondscoach Xavi Hernández roept geen vervanger op, dus er blijven 23 spelers over.”From this article →
- “Tijdens de Valpreventieweek roept VeiligheidNL 65-plussers op een risicotest te doen en maatregelen te nemen, zoals goed schoeisel, voldoende licht en regelmatige oogcontroles.”From this article →
- “Z Cert riep zorginstellingen op om systemen waar nodig uit te zetten.”From this article →
Save this word and practice it later.