
oplopen
to increase, to acquire, to contract, to walk onto, to sustain
Also used as: adjective
Forms you will meet
- is opgelopen
- liep op
- liepen op
- loop je een blauwtje op
- loopt op
- loopt snel op
- loopt verder op
- loopt vertraging op
- lopen op
- op te lopen
- opgelopen
- opliep
- opliepen
- oploopt
- oplopen
- oplopend
- oplopende
Meaning
- to increase
- to acquire
- to contract
- to walk onto
- to sustain
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- liep op
- Past participle (perfectum)
- opgelopen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Nu gebruiken dagelijks ongeveer 200.000 mensen het station, en dat kan oplopen tot 275.000 per dag.”From this article →
- “Het aantal dode honden liep op van vier naar zeker vijf.”From this article →
- “Inflatie loopt in september iets op door hogere energieprijzen”From this article →
Save this word and practice it later.