oplopen
to incur, to sustain, to rise, to increase, increasing
Also used as: adjective
Forms you will meet
- is opgelopen
- liep op
- liepen op
- loop je een blauwtje op
- loopt op
- loopt snel op
- loopt verder op
- loopt vertraging op
- lopen op
- op te lopen
- opgelopen
- opliep
- oploopt
- oplopen
- oplopend
- oplopende
Meaning
- to incur
- to sustain
- to rise
- to increase
- increasing
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- liep op
- Past participle (perfectum)
- opgelopen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “die heeft blijvende schade opgelopen aan zijn longen”From this video →
- “Maar hij kwam nogal hard terecht en heeft een hersenschudding opgelopen.”From this video →
- “Inflatie loopt op tot 3,1 procent door hogere energieprijzen”From this article →
Save this word and practise it later.