de keer
time
de or het?
deForms you will meet
- keer
- keren
In a real sentence
- “Keeper Derk Meijer redt twee keer bij een strafcorner.”From this article →
- “Yibbi Jansen scoort vier keer uit een strafcorner.”From this article →
- “Een hele lange vakantie in één keer weer terug zijn.”From this video →
Save this word and practice it later.