
afspreken
to agree, to arrange, to arrange to meet, agreed, to arrange (an appointment)
Forms you will meet
- af te spreken
- afgesproken
- afspreken
- spraken af
- spreken af
Meaning
- to agree
- to arrange
- to arrange to meet
- agreed
- to arrange (an appointment)
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- sprak af
- Past participle (perfectum)
- afgesproken
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “En daar hebben we ooit in Nederland van afgesproken”From this video →
- “En hier in het Artes conservatorium heb ik met hem afgesproken.”From this video →
- “De provincie Utrecht, de Vervoerregio Amsterdam en vier gemeenten spreken af over een snelle fietsroute.”From this article →
Save this word and practice it later.