afsluiten

to close off, to close, to end, to finish, to conclude

Also used as: noun

Forms you will meet

  • afgesloten
  • afsluit
  • afsluiten
  • is afgesloten
  • sloot af
  • sloten af
  • sluit af
  • sluiten af
  • worden afgesloten

Meaning

  • to close off
  • to close
  • to end
  • to finish
  • to conclude

Past tenses

Simple past (imperfectum)
sloot af
Past participle (perfectum)
afgesloten
Auxiliary
hebben

In a real sentence

  • “Die donderen naar beneden toe en daardoor zijn de wandelwegen gedeelte ook afgesloten.”From this video →
  • “Sinds begin juni pakt de organisatie het aan met extra schoonmaak, afgesloten voedsel, vallen en een bestrijder.”From this article →
  • “De opvang maakt extra schoon en sluit eten af.”From this article →

Save this word and practice it later.

Look up another word