aflopen
to end, to end to mature, to expire, past
Also used as: adjective
Forms you will meet
- af kunnen lopen
- afgelopen
- afliep
- afloopt
- aflopen
- liep af
- loopt af
Meaning
- to end
- to end to mature
- to expire
- past
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- liep af
- Past participle (perfectum)
- afgelopen
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Er is niets meer van over, maar het had nog veel erger af kunnen lopen.”From this video →
- “In de komende zes jaar loopt bijna 150 miljard aan schuld onder 1 procent af”From this article →
- “Omdat bijna 150 miljard euro aan oude leningen met minder dan 1 procent afloopt, moet de staat dat geld opnieuw lenen tegen hogere rente.”From this article →
Save this word and practice it later.