afbouwen
to phase out, to scale down, to finish, to reduce, to scale back
Forms you will meet
- af te bouwen
- afbouwen
- afgebouwd
- bouwt af
Meaning
- to phase out
- to scale down
- to finish
- to reduce
- to scale back
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- bouwde af
- Past participle (perfectum)
- afgebouwd
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Het bedrijf wil de meeste activiteiten in China afbouwen en strakker selecteren welke opdrachten het aanneemt.”From this article →
- “Ook wil het de meeste opdrachten in China afbouwen.”From this article →
- “Pas als de vogel weer is vertrokken, kan de brug worden afgebouwd.”From this video →
Save this word and practice it later.