aanspreken
to address, to be spoken to, spoke to him, to speak to, to approach
Forms you will meet
- aangesproken
- spraken hem aan
- spreekt aan
- spreken aan
Meaning
- to address
- to be spoken to
- spoke to him
- to speak to
- to approach
Past tenses
- Simple past (imperfectum)
- sprak aan
- Past participle (perfectum)
- aangesproken
- Auxiliary
- hebben
In a real sentence
- “Savannah Guthrie spreekt in een video de mogelijke ontvoerders van haar moeder aan.”From this article →
- “En eh ja, dat die daar ook op worden aangesproken.”From this video →
- “Buiten spraken twee mannen hem aan en liepen mee”From this article →
Save this word and practise it later.