aanspreken
to address, to approach, to speak to, spoke to him, to be spoken to
Vormen die je tegenkomt
- aangesproken
- spraken hem aan
- spreek diegene die pest aan op zijn gedrag
- spreekt aan
- spreken aan
Betekenis
- to address
- to approach
- to speak to
- spoke to him
- to be spoken to
Stamtijden
- Verleden tijd (imperfectum)
- sprak aan
- Voltooid deelwoord (perfectum)
- aangesproken
- Hulpwerkwoord
- hebben
In een echte zin
- “Allereerst met me als je het durft, spreek diegene die pest aan op zijn gedrag.”Uit deze video →
- “Agenten spreken 's nachts 100 mensen aan die geen goede reden hebben.”Uit dit artikel →
- “Volgens bronnen van Bloomberg heeft het Amerikaanse ministerie van Handel ASML aangesproken over signalen dat er een EUV-lithografiemachine in China zou staan.”Uit dit artikel →
Bewaar dit woord en oefen het later.