trouwen
to marry, to get married
Vormen die je tegenkomt
- getrouwd
- trouwen
Betekenis
- to marry
- to get married
Stamtijden
- Verleden tijd (imperfectum)
- trouwde
- Voltooid deelwoord (perfectum)
- getrouwd
- Hulpwerkwoord
- hebben
In een echte zin
- “Ze ligt naast haar echtgenoot Carl Dean, met wie ze bijna 60 jaar getrouwd was.”Uit dit artikel →
- “Twee fans trouwen op het podium.”Uit dit artikel →
Bewaar dit woord en oefen het later.