
schieten
to shoot, to propel, to fire, shooting
Ook gebruikt als: noun
Vormen die je tegenkomt
- doodgeschoten
- geschoten
- geweerschoten
- schiet
- schiet op
- schiet terug
- schieten
- schoot
- schoten
Betekenis
- to shoot
- to propel
- to fire
- shooting
Stamtijden
- Verleden tijd (imperfectum)
- schoot
- Voltooid deelwoord (perfectum)
- geschoten
- Hulpwerkwoord
- hebben
In een echte zin
- “In minuut 89 schiet Tijjani Reijnders van dichtbij de 2-2 binnen na een voorzet van Noa Lang.”Uit dit artikel →
- “Meerdink schiet Oranje in Servië met twee goals naar eerste winst onder Xavi”Uit dit artikel →
- “Meerdink schiet de strafschop met links langs keeper Vanja Milinkovic Savic.”Uit dit artikel →
Bewaar dit woord en oefen het later.