
samenleven
to live together
Stamtijden
- Verleden tijd (imperfectum)
- leefde samen
- Voltooid deelwoord (perfectum)
- samengeleefd
- Hulpwerkwoord
- hebben
In een echte zin
- “Hij leeft 2,5 week met de groep samen en spreekt met 26 spelers.”Uit dit artikel →
Bewaar dit woord en oefen het later.