reizen
to travel
Stamtijden
- Verleden tijd (imperfectum)
- reisde
- Voltooid deelwoord (perfectum)
- gereisd
- Hulpwerkwoord
- hebben
In een echte zin
- “Hij reist eerst naar Polen en daarna naar Wenen en Brussel.”Uit dit artikel →
- “Hij reist met de trein meer dan 4000 kilometer, via Chicago naar Washington”Uit dit artikel →
Bewaar dit woord en oefen het later.