reizen
travel
Ook gebruikt als: noun
Vormen die je tegenkomt
- reist
- reizen
Stamtijden
- Verleden tijd (imperfectum)
- reisde
- Voltooid deelwoord (perfectum)
- gereisd
- Hulpwerkwoord
- hebben
In een echte zin
- “Dat is nodig, omdat er meer mensen met de trein reizen.”Uit dit artikel →
- “Sanquin test ook standaard op hiv en hepatitis, en bij reizen naar Italië of Spanje op westnijlvirus.”Uit dit artikel →
- “De telescoop reist in 3 maanden naar punt L2”Uit dit artikel →
Bewaar dit woord en oefen het later.